Deze eis betreft een herhaling van waterkaarten voor tweede klas. Hiernaast komen er een aantal extra dingen bij zoals, kanaalpeil bepalen, betonning en route uitzetten.
Waterstanden op binnenwater worden aangegeven ten opzichte van het NAP
(Normaal Amsterdams Peil). Op waterkaarten wordt de hoogte van een brug, meestal aangegeven in dm, aangegeven als KP (Kanaalpeil). Het kanaalpeil is gemeten op een moment, meestal in de zomer. Zoals gezegd, worden metingen van waterstanden aangegeven ten opzichte van het NAP, dit houdt in dat het kanaalpeil niet de juiste doorhoogte meer heeft, omdat het NAP kan verschillen.
Maar hoe gaan we met die getallen om?
Voorbeeld 1
Stel je boot heeft een hoogte van 2.50m. Op de
kaart staat een brughoogte van 27. Het Kanaalpeil is aangegeven als KP = NAP +
3. Dat betekent dat de doorvaarhoogte 2.70 meter is bij een voor dat kanaal
normale waterstand van 30cm boven NAP. Geen probleem, je kan er onderdoor met
een speling van 20cm.
Maar op een peilschaal bij de brug lees je dat het kanaalpeil op dit moment KP =
NAP - 2 is. Wat nu?
Heel simpel, het water staat 5dm lager dan normaal. De doorvaarthoogte is dus
hoger, n.l. 2.70m + 50cm = 3.20m. Geen probleem, je kan er onderdoor met een
speling van 70cm.

Voorbeeld 2
Stel je boot heeft een
hoogte van 3.50m. Op de kaart staat een brughoogte van 37. Het Kanaalpeil is
aangegeven als KP = NAP + 3. Dat betekent dat de doorvaarhoogte 3.70 meter is
bij een voor dat kanaal normale waterstand van 30cm
Op de peilschaal staat KP = NAP + 6.
Nu is er wel een probleem. Het water
staat 3dm hoger dan normaal. De doorvaarthoogte is dus lager n.l. 3.70m - 30cm =
3.40m. Je kan er niet onderdoor!
Je kan nu berekenen of je onder een brug door kan. Dezelfde berekening kan je ook gebruiken om te berekenen of we door een sluis kunnen. Echter moet je dan in plaats van de hoogte van de brug, de diepte van het water nemen en bekijken hoe diep het schip steekt.
Er zijn verschillende soorten betonningen. Je hebt namelijk laterale en cardinale markeringen.
Voor eerste klas zullen we de cardinale markeringen bespreken. Hiernaast is dit een herhaling van de eisen van tweede klas. Je zult dus ook met laterale markeringen moeten kunnen werken..
- Laterale markering dient
om de zijdelingse begrenzing van vaarwater aan te geven.
- Cardinale markering wordt op groter water gebruikt om gevaarlijke punten aan
te geven.
|
Cardinale markering |
|
Als er een obstakel in het vaarwater is zoals een wrak of een ondiepte wordt dit gemarkeerd door cardinale betonning. Vanuit het obstakel wordt het gebied verdeeld in vier kompaskwadranten. De gebruikte betonningstekens hebben een topteken dat bestaat uit twee zwarte kegels, die loodrecht boven elkaar zijn geplaatst. De kleur geel/zwart is kenmerkend. Ieder kwadrant heeft zijn eigen herkenbare topteken en lichtpatroon. Voor het bepalen aan welke kant gepasseerd moet worden heb je dus een kompas nodig. |
|
|
|
Noord |
|
|
|
De kegels wijzen omhoog (noord). De boei is zwart aan de bovenkant en ligt aan de noordzijde van een obstakel. Ze moet dus aan de noordzijde gepasseerd worden. Licht: ononderbroken flikkering |
|
Ezelsbrug: |
Noord: Dus de pijlen moeten omhoog wijzen. De zwarte kleur is aan de kant waar de topboeien naar wijzen. |
|
Oost |
|
|
|
De kegels wijzen uit
elkaar. De boei is boven en onder zwart en ligt aan de oostzijde van een
obstakel. Ze moet aan de oostzijde gepasseerd worden. |
|
Ezelsbrug: |
De zwarte kleur is aan de kant waar de topboeien naar wijzen. |
|
Zuid |
|
|
|
De kegels wijzen omlaag
(zuid). De boei is zwart aan de onderkant en ligt aan de zuidzijde van een
obstakel. Ze moet aan de zuidzijde gepasseerd worden. |
|
Ezelsbrug: |
Zuid: Dus de pijlen moeten omlaag wijzen De zwarte kleur is aan de kant waar de topboeien naar wijzen. |
|
West |
|
|
|
De kegels wijzen naar
elkaar. De boei is zwart in het midden en ligt aan de westzijde van een
obstakel. Ze moet aan de westzijde gepasseerd worden. |
|
Ezelsbrug: |
West: De pijlen vormen een W(est)ijnglas. De zwarte kleur is aan de kant waar de topboeien naar wijzen. |
|
Afzonderlijk gevaar |
|
|
|
Deze markering geeft een
gevaar van beperkte afmeting aan. Een dubbel topteken, in de vorm van
bollen.Op voldoende afstand kan rondom gepasseerd worden. |
Lichtkarakters cardinale markering:
Voor het onthouden van de lichtkarakters kan je aan een klok denken, waarbij noord overeenkomt met 12 uur. Om twaalf uur slaat de klok de meeste slagen. De noordboei geeft veel geknipper (ononderbroken flikkering). Op drie uur ligt de oostboei met drie flikkeringen. Op zes uur ligt de zuidboei met zes flikkeringen. De lange schittering erna dient alleen om een duidelijk verschil te krijgen met de negen flikkeringen van de westboei die op negen uur ligt.
Scheidingstonnen.
Onderstaand zijn de scheidingstonnen aangegeven. Voor eerste klas moet je ook onderscheid kunnen maken tussen hoofdvaarwater en nevenvaarwater.
|
Scheidingston hoofdvaarwater links. Deze ton ligt in de rode (stompe) tonnenlijn en dient stroomafwaarts varend aan stuurboordkant (rechts) gehouden te worden. |
|
|
|
Scheidingston hoofdvaarwater rechts. Deze ton ligt in de groene (spitse) tonnenlijn en dient stroomafwaarts varend aan bakboord (links) gehouden te worden. |
|
Scheidingston vaarwater van gelijk belang (bol als topteken; met beide kleuren)
|
|
![]()
= Stroomrichting



Je weet nou hoe de betonning in elkaar zit, daarnaast kan je berekenen of we onder een brug door kunnen en of het diep genoeg is om er te kunnen varen. De bedoeling is dat je nu een route op de kaart gaat uitzetten waarbij je de berekeningen maakt om te kijken of we de bruggen/sluizen etc kunnen passeren.


