Weerkennis

Bij navigeren hoort ook een stuk weerkennis, omdat bij het navigeren het weer erg belangrijk is; een (voor jou) plotse­linge storm kan je uit koers drijven of je zelfs in gevaar brengen. Op basis van het weer baseer je je beslissing over het wel dan niet uitvaren, of een aanpassing van je koers.

Wind.

Wind is het gevolg van luchtdrukverschillen aan het aardopper­vlak. Verandering van deze luchtdruk is dikwijls een aanwij­zing van weersverandering.

Op aarde zijn er Hogedrukgebieden en Lagedrukgebieden. Deze laatste worden depressies genoemd. De natuur probeert het verschil in druk tussen deze gebieden op te heffen. Er wordt dan lucht verplaatst van hoge naar lage druk, wind dus.

Hoe groter het verschil in luchtdruk, hoe harder het waait.

Daar waar op een stafkaart de hoogte wordt aangegeven door hoogtelijnen, gebeurt dat op weerkaarten door ISOBAREN, die door middel van een lijn door alle punten van gelijke lucht­druk, de hoogte van die luchtdruk aangeven.

Belangrijk is nog te weten dat met een ruimende wind bedoeld wordt, dat de windrichting met de wijzers van de klok veran­dert, b.v. van zuid "ruimend" naar west.

Krimpende wind betekent het tegengestelde; de wind uit het zuiden "krimpt" naar het oosten.

Wind doet ook wat met het water; ga maar eens naar de zee kijken als er een zuidwester storm op de kust beukt.

Hoe hoog de golven worden is afhankelijk van een aantal facto­ren:

-windsterkte

-windrichting

-windduur

en windbaan; dit is de afstand van het begin van het windveld tot het land. Op hogerwal zullen dus de golven meestal kleiner zijn dan aan lagerwal.

Luchtsoorten.

Wanneer een luchtmassa het brongebied, dus daar waar ze ge­vormd is, verlaat zullen de eigenschappen (temperatuur, lucht­vochtigheid) gaan veranderen.

Als de temperatuur van de lucht lager is dan het aardopper­vlak, dan noemen we de luchtmassa koude massa, als de lucht warmer is spreken we dus over warme massa.

Koude massa wordt door het aardoppervlak opgewarmd, warme massa wordt afgekoeld.

Van de nu volgende luchtsoorten hoef je alleen de naam en het brongebied te weten.

De luchtsoorten die Nederland kunnen bereiken zijn:

 Arctische lucht.

Deze uit de poolstreken afkomstige lucht bereikt Nederland alleen in de winter. Meestal komt dan strenge vorst voor met goed zicht, diepblauwe lucht, soms met stapelwolken, al dan niet met buien.

Polaire lucht.

Deze lucht is afkomstig van breedten tussen 50 en 65 graden Noorderbreedte en heeft zich boven de oceaan gevormd en is dus vochtig. In de zomer bestaat deze lucht meestal uit koude massa. Ze wordt met overwegend Noordwestenwinden aangevoerd. In de regel is het zicht goed, zijn er stapelwolken en is het wisselvallig weer.

Atlantische tropische lucht.

Deze luchtsoort wordt op de Atlantische Oceaan gevormd tussen de 30 en 40 graden Noorderbreedte, waar zich vrijwel steeds een gebied met hoge luchtdruk bevindt. Deze maritiem tropische lucht, die veel waterdamp bevat, is vrijwel altijd warme massa en zal ons land met overwegend Zuidwestelijke winden bereiken.

Dampig, dus matig zicht, sterke (sluier-) bewolking, vaak motregen.

Afrikaanse tropische lucht.

Een ander gebied waarin tropische lucht ontstaat, ligt boven Noord-Afrika. Deze tropische lucht wordt met zuidelijke winden aangevoerd en is vrijwel altijd zeer droog.

Bevat veel stof, slecht tot matig zicht, sluierbewolking.

 Continentaal tropische lucht.

Deze lucht wordt aangevoerd door de zomerse oostenwind. In de zomer zeer warm, helder weer met goed zicht. Komt de aanvoer uit het zuidoosten, de Balkan, dan krijg je zeer warm, heiig weer met kans op warmte-onweer.

Fronten

Een frontvlak is de overgangszone tussen twee luchtsoorten. De snijlijn van een frontvlak met het aardoppervlak heet front. Zijn de verschillen in temperatuur aan weerszijden van het frontvlak groot, dan spreken we over een sterk front en omgekeerd.

De verschillen in temperatuur van de luchtsoorten aan weers­zijden van het front worden behalve door de herkomst van de luchtsoorten mede bepaald door de leeftijd ervan en de weg die na het verlaten van het frontgebied is afgelegd.

De leeftijd is de tijd die verstreken is na het verlaten van het brongebied.

De weg bepaalt of een luchtsoort vochtiger kan worden.

De fronten verplaatsen zich door drukverschillen aan weerszij­den ervan.

Men spreekt van een koudefront als een stilstaande waarnemer van warme in koude lucht komt, en omgekeerd. Bij een warmte­front glijdt onder invloed van drukverschillen de warme lucht op langs het frontvlak, bij een koufront wordt de warme lucht opgetild. In principe is het zo, dat in beide gevallen er sprake is van een gedwongen stijging, waardoor de lucht zal gaan afkoelen.

Bij lucht spreekt men over de relatieve luchtvochtigheid; de mate waarin de lucht, die waterdamp kan opnemen/bevatten, dat ook werkelijk heeft gedaan. Is de relatieve luchtvochtigheid nou 100% geworden, dan gaat de damp, die je niet kan zien, zich omzetten in fijne waterdruppeltjes; het dauwpunt is bereikt.

Hoe meer dit proces doorgaat, hoe meer druppeltjes gevormd worden. Die waterdruppeltjes zien we als wolken. Binnen die wolk zullen de druppeltjes op elkaar gaan botsen, groter worden; ze vloeien samen, totdat de druppeltjes zo groot zijn dat ze gaan vallen; regen.

Hagel ontstaat als de druppeltjes eerst op en neer bewegen, waardoor ze bovenin bevriezen, dalen, dan wordt er weer meer water op het kleine klompje ijs afge­zet, dat bovenin weer bevriest etc. Zo'n hagelsteen groeit dus per keer dat hij verticaal op en neer bewogen is.

Nu zijn we dus weer terug bij het verhaal over de fronten. Stijgende lucht koelt af. Het afkoelen van de lucht zorgt ervoor dat het punt waarop waterdamp druppeltjes vormt omlaag gaat; dus hoe meer afkoeling, hoe eerder druppels zich vormen.

Zoals je kon lezen bij FRONTEN, is er altijd sprake van het stijgen van de warme lucht; bij het passeren van een front is er dus in principe altijd sprake van regen.

Zoals je kan zien op het plaatje met de fronten, wordt bij een koufront de warme lucht veel heftiger omhoog geperst dan bij een warmtefront. Hierdoor ontstaat een heftiger luchtbeweging, een van de voorwaarden voor hagel.

Bovendien is het zo, dat de warme lucht veel hoger moet stij­gen om de koude lucht onder zich door te laten glij­den, waar­door de stijgende lucht veel meer afgekoeld wordt.

Dit in combinatie met de turbulente lucht kan ervoor zorgen, dat je midden in de zomer, als het erg warm is, tijdens een onweersbui opeens grote hagelstenen om je oren krijgt.

Wolken

©Bernard Hulshof

Cirruswolken (vederwolken)

Dit zijn afzonderlijke wolken. We zien ze als een teer vezelig weefsel zonder eigen schaduw en meestal wit van kleur. Soms lijken ze op krijtstrepen aan de blauwe hemel, soms lijken ze op veren. Ze bestaan geheel uit ijskristallen.

 

 

 

 

Cumuluswolken (stapelwolken)

Dit zijn afzonderlijke wolken, ontstaan door instabiele lucht en spontane stijging, waarvan de bovenzijde koepelvormig is en halfronde uitwassen vertoont, terwijl de onderzijde vrijwel horizontaal is. Staat de wolk tegenover de zon dan zijn de vlakken witter dan de randen. Valt het licht terzijde op de wolk, dan vertoont zij sterke contrasten van licht en donker. Tegen de zon in gekeken lijkt de wolk donker met een lichte rand. De Cumulus wolk is doorgaans zowel aan de boven- als aan de onderzijde scherp begrensd. Uit deze wolken valt doorgaans geen neerslag. (linker plaatje)

  ©Bernard Hulshof©Bernard Hulshof

 

 

 

 

Cumulonimbuswolken

Dit zijn hele grote wolken met een sterke verticale ontwikke­ling (onstabiele lucht en spontane stijging), waarvan de bovenzijde vezelachtig van structuur is in de vorm van een grote pluim of aambeeld. Cumulonimbus bestaat uit waterdruppeltjes en in de hogere delen ijskristallen, met daartussen een gemengde laag van beide, met daarin regendruppels en vaak ook sneeuwvlokken en hagelstenen. Uit deze wolken valt neerslag in de vorm van regen-, hagel- of sneeuwbuien, vaak vergezeld van onweer. (rechter plaatje)

 Stratuswolken

Stratuswolken zijn sluiers over het gehele firmament of een groot deel daarvan. Er zijn verschillende vormen:

Een fijne witachtige sluier, die de zon nog niet vervaagt en die veelal een "halo", een kring om de zon veroorzaakt.

Ook mogelijk is een vezelachtige sluier van een min of meer grauwe of blauwachtige tint. Soms is deze laag dun, waardoor je de zon vaag, als door matglas te zien is. Soms ook ziet het geheel eruit als een laag vormeloos wolkendek, vrijwel geheel egaal en van donkergrijze kleur.


 

 

Regenboog

Een regenboog ontstaat door een interactie van zonlicht en regendruppels. De regendruppel zorgt voor breking van het witte zonlicht in alle kleuren van het spectrum. Een regenboog is alleen waarneembaar met de zon in de rug en de bui voor de waarnemer.©Bernard Hulshof
©Bernard Hulshof

 

 

 


Zonsondergang 

Normaal gesproken wordt in de atmosfeer de kleur blauw het meest verstrooid. Tijdens zonsondergang, en ook tijdens zonsopkomst, staat de zon laag en daardoor moet het zonlicht een veel langere weg door de atmosfeer af leggen. Hierdoor worden de kleuren rood, oranje en geel minder verstrooid.

De weersverwachting. 

Zeker als we op ruim water varen, is het noodzakelijk om het weer goed in de gaten te houden; temperatuurverloop in de gaten houden, bewolking observeren en (verandering van) wind­richting en windkracht volgen. Ook is het handig, om als je toch een radio aan boord hebt de weerberichten te volgen.

Bedenk altijd wel, dat het weerbericht niet heilig is; een weersverwachting is voor een groter gebied, plaatselijk kan het weer heel anders zijn. Verder kan het weer zich belangrijk sneller of juist langzamer ontwikkelen.

Met de kennis die je nu hebt en die door ervaring groter en uitgebreider zal worden, kun je met enige nauwkeurigheid een korte-termijn-verwachting opstellen, voor het beperkte gebied, waar je de komende uren zal varen.

Om kort even een indicatie te geven over het weer zijn de volgende rijtjes wel handig:

weersverslechtering

Wanneer (nagenoeg) gelijktijdig de volgende waarnemingen worden gedaan kunnen we weersverslechtering verwachten: 

-de luchtdruk daalt,

-de wind krimpt en wordt harder,

-aan het firmament verschijnen cirruswolken

Daalt de luchtdruk snel en wakkert de wind snel aan, dan treedt de verslechtering snel op.

Zien we een 'halo', dan wijst dit op sluierbewolking op grote hoogte; een indicatie voor een naderende depressie, op enige afstand. Zonder temperatuur en drukdaling wijst dat echter niet op een verandering in de eerstkomende uren.

weersverbetering

Wanneer (nagenoeg) gelijktijdig de volgende waarnemingen worden gedaan kunnen we weersverbetering verwachten:

-de luchtdruk stijgt,

-de wind ruimt en neemt af,

-de bewolking breekt, bij stratus, of, bij cumulus, wordt minder.

Hoe lang deze verbetering zal duren is afhankelijk van de algemene weerssituatie; dikwijls volgt de ene depressie de andere op en blijft het weer wisselvallig.

 

Start Installatie-eisen 3e klas 2e klas 1e klas Links Waterwerk Downloadpagina Aftekenlijsten