Bewusteloosheid
Bewusteloosheid of flauwte kunnen we in een aantal soorten indelen.
1) Flauwte. Ieder van jullie heeft wel eens een flauwte gehad. Bijvoorbeeld je hebt een tijd zitten lezen staat je opeens op. Je voelt je dan soms een beetje draaierig en wankel. Dat is een lichte flauwte die snel weer voorbij gaat. De meeste flauwtes ontstaan door een tijdelijk tekort aan bloed in de hersenen. De patiënt is wel aanspreekbaar. Als je bij iemand komt die een flauwte heeft en op de grond ligt, laat hem dan liggen, praat met hem en stel hem op zijn gemak. Als hij na enige tijd zegt dat het weer goed gaat, laat hem dan gaan zitten (help hem en blijf zodanig voor hem staan dat hij niet op de grond kan vallen). Frisse lucht en even met het hoofd tussen de knieën gaan zitten doet meestal wonderen.
2) Licht bewusteloos. De patiënt ligt op de grond maar is niet aanspreekbaar. Als je hem een pijnprikkel geeft (oorlel of monnikskapspier tegenwoordig moeten we schudden aan de schouder en niet meer knijpen) reageert hij hierop.
Leg hem in de stabiele zijligging en bewaak zijn ademhaling en hartslag. Maak knellende kleding los en zorg dat hij voldoende frisse lucht krijgt. (denk erom dat te veel frisse lucht onderkoeling kan veroorzaken)Als de patiënt bijkomt, stel hem dan op zijn gemak, maar laat hem liggen. Probeer er achter te komen wat er gebeurd is en handel vervolgens afhankelijk van deze gebeurtenis.
3) Diep bewusteloos. Hij is niet aanspreekbaar en reageert niet op pijnprikkels. Je
hebt nu een probleem!!! In principe moet je er van uitgaan dat je te maken hebt met een levensbedreigende omstandigheid. Leg de patiënt in de stabiel zijligging en bewaak zijn ademhaling en hartslag.
Het zal duidelijk zijn dat ieder geval van flauwte en bewusteloosheid altijd zo snel mogelijk bij de leiding gemeld dient te worden. Bij diepe bewusteloosheid is snelle medische hulp vereist.
(Als er geen ademhaling is beademen)
Vitale functies.
Voor het leven zijn drie functies van belang
1) De hersenfunctie. B
2) De ademhaling. A
3) De bloedsomloop. C
Men noemt dit de drie vitale functies.
Een stoornis in één of meer van deze functies is levensbedreigend. Daarom altijd eerst deze functies controleren en zonodig verhelpen, daarna pas aandacht besteden aan ander (plaatselijk) letsel.

Kunstmatige ademhaling
Dit wordt toegepast als de patiënt schijndood is en dus niet meer zelf ademt.
Kenmerken:
Slachtoffer ziet grauw, reageert niet op aanspreken of pijnprikkels. Het is mogelijk dat je soms een rochelend geluid hoort.
|
|
Leg de patiënt op zijn rug. Leg een hand onder zijn nek en je andere op zijn voorhoofd. Breng het hoofd nu zover mogelijk achterover. De patiënt zijn mond valt nu vanzelf open.
Knijp zijn neus dicht, zodat daar geen lucht uit kan ontsnappen.
Plaats je geopende mond stevig om de patiënt zijn mond en blaas met enige kracht in. Kijk of de patiënt zijn borst omhoog komt.
Haal je mond weg en laat de neus vrij en kijk of de patiënt zijn borst weer terug veert.
Dit proces blijf je herhalen totdat de patiënt zelf weer ademt, een ander het overneemt of een dokter de dood constateert.
Blaas ongeveer twaalf keer per minuut in. Bij kleine kinderen een paar keer meer. Let er dan op dat je wat minder lucht inblaast en wat minder krachtig.
Als het niet lukt:
Overgaan op mond neus beademing.
Hoofd nog verder naar achter brengen.
Mond controleren en zonodig kunstgebit, kauwgom o.i.d. verwijderen.
Bloedingen
We onderscheiden twee soorten bloedingen. Namelijk de aderlijke en de slagaderlijke.
Aderlijke bloedingen
Deze stromen gelijkmatig. Het bloed is donkerrood.
Slagaderlijke bloedingen
Het bloed is lichtrood en verlaat het lichaam met stoten, omdat het direct van het hart afkomt. De slagaderlijke bloedingen zijn het gevaarlijkst en de eerste hulp is dan ook met spoed noodzakelijk.
Druk de slagader ergens tussen hart en wond dicht op een plaats waar dit mogelijk is. Zo een plaats heet een drukpunt. Terwijl de slagader op deze manier wordt dichtgedrukt moet er een stijfverband (wonddrukverband) aangelegd worden. Leg eerst een steriel gaas op de wond, vervolgens witte watten en vervolgens een stijfverband. Als dit niet lukt leg je er een tweede en zonodig een derde stijfverband overheen.
Drukpunten
Duim: Tussen duim en wijsvinger boven en onder dicht drukken
Vingers: Handen laten vouwen (bidgreep). Vingers van de andere hand iets samendrukken.
Bovenarm: Net onder de biceps tegen het bot afdrukken.
Sleutelbeen: Met de duim in de holte tegen het sleutelbeen dichtdrukken. Kan ook door de armen van de patiënt omhoog en achteruit te trekken.
Halsslagader: Boven en onder de wond dichtdrukken. Als dit niet lukt dan de duim in de wond.
Slaapslagader: Boven en onder de wond dichtdrukken. Als dit niet lukt dan de duim in de wond.
Tenen: Met duim en wijsvinger beide zijkanten teen dichtdrukken.
Lies: In de holte van de overgang dijbeen onderbuik dichtdrukken tegen het schaambeen.
N.B. Dit drukpunt mag je als je hem dicht hebt niet meer loslaten. Als je dat wel doet, verspringt de slagader en krijg je hem niet meer dicht. De beste manier van dichtdrukken is met twee duimen op elkaar en afwisselend krachtig dichtdrukken.
Shock
Dit is een tekort van circulerend vloeistof in het lichaam. Het hart zal proberen om toch evenveel bloed te verplaatsen om toch de vitale delen van zuurstof te voorzien en zal dus sneller gaan kloppen
Kenmerken:
Hoge polsslag (boven 100)
Bleke gelaatskleur
Patiënt is suffig, gaapt veel, maar is meestal wel aanspreekbaar.
Meestal last van koud zweet
Oorzaken:
Hevige in- of uitwendige bloedingen
Verbrandingen (zie regel van 9)
Niet door schrikken, dan is er namelijk sprake van een shell-shock
Behandeling:
Laat het slachtoffer gaan liggen als dit mogelijk is (niet op de koude vloer ivm afkoleing)Leg de benen hoger dan het hoofd zodat er meer bloed naar de hersenen stroomt. Stel de patiënt op zijn gemak, geef de patient niet te eten of te drinken dit kost het lichaam extra energie om dit te verteren en alle energie is nodig voor de circulatie. Dek patiënt toe tegen afkoeling
Waak voor schijndoodheid
Verbanden
Nood- of snelverband
Neem in elke hand een zwachtel. Trek het verband ongeveer tien cm boven de wond open en leg het op de wond. Wikkel de rollenverband af in tegengestelde richting. Let erop dat de eerste omwikkelingen half op het gaas en half op de huid komen te liggen. Knoop de beide einden aan elkaar. De knoop mag natuurlijk niet op de wond komen.
Drukverband:
Als het bloeden door het snelverband heen komt leggen we over het snelverband een druk verband aan als volgt:
Neem vette watten en wikkel deze om het snelverband heen aan weerszijden 2 cm uitlaten steken pak nu een rekverband en wikkel dit naar het hart toe over de watten heen laat de watten wel een centimeter uitsteken tegen afknelling.

Regel van 9:
Is er bij een brandwond meer dan 9% van het lichaamsoppervlak aangetast dan is de kans op shock bijzonder groot. Men spreekt in dit verband van de regel van de negens. Hoofd en hals vormen samen 9% van het lichaamsoppervlak, een arm is ook 9%, een been 18%, de voorkant en achterkant van de romp ieder 18%. Dit alles opgeteld komt men op 99%. Voor de geslachtsorganen en directe omgeving geldt de resterende 1%.


