
Je moet voor dit onderdeel een lijn opschieten en gooien naar een denkbeeldige drenkeling op tien meter afstand. Van de vijf worpen moeten er drie binnen 70 cm van het doel komen.
Je zal je misschien afvragen hoe vaak het voorkomt dat je een drenkeling met een reddingslijn uit het water haalt. Dit komt gelukkig zelden tot nooit voor. Het is natuurlijk wel handig om dit te kunnen. Stel je voor dat je het toch eens nodig hebt.Toch gooien wij regelmatig met lijnen. Denk maar eens aan je vlet. Als je aanlegt, gooi je de voorlandvast naar iemand op de steiger of als we een sleep formeren, gooi je de landvast naar een andere boot. Dit moet je dan wel snel en goed kunnen. Ook de tros van een wachtschip moet naar de kant gegooid worden. Zo zijn er natuurlijk nog meer voorbeelden.
Let erop dat je de lijn goed opschiet, zodat deze niet in de knoop raakt als je hem gooit. Een andere truc om goed te gooien is het nawijzen van de lijn in de richting van het doel. Maak de slagen zo groot dat ze tijdens het zwaaien net niet de grond raken en zorg ervoor dat je het einde van de lijn goed vasthoud zodat dat niet samen met de lijn overboord vliegt. Je zal erachter komen, dat je voor dit onderdeel veel moet oefenen. Laat je echter niet ontmoedigen als het niet direct wilt lukken. Op een gegeven moment gaat het vanzelf.

Als je een lijn over grotere afstanden moet gooien, dan maken we dikwijls gebruik van een zogenaamde “Keeslijn”. Dit is een werplijn met een verzwaard uiteinde.
Het is een dunne soepele lijn met aan het uiteinde een pingpongballetje die voorkomt dat de lijn zinkt. Hieromheen zit een speciale knoop (een apenvuistje) die voor het gewicht zorgt.
Met een keeslijn kan je
ook zware trossen naar de wal of een ander schip krijgen. Je gooit de keeslijn
en aan het andere einde hiervan maak je dan met een (dubbele) schootsteek de
zware lijn vast. Dan kunnen ze die via de keeslijn naar zich toe halen.


